20:40
September 8,  2010   
Gebruik uitsluitend de officiële documentatie van uw vliegtuig voor uw vluchtvoorbereiding en vluchtuitvoering!
Run-up checks
27 januari 2005
De run-up checks zijn de laatste  checks die je doet voordat je de startbaan oprijd om in take-off te gaan.
Deze checks bestaan in feite uit twee delen: eerst doe je de laatste controles op de motor om te zien of die geen kuren veroont. Daarna controleer je of alle belangrijke knoppen/schakelaars juist gezet zijn plus (nogmaals) een aantal zaken die erg belangrijk zijn voor de veiligheid.

Ik geef hieronder de runup-checks die wij uitvoeren op een Cessna 152. Deze weergave dient uitsluitend als voorbeeld.
Gebruik altijd de checklist welke bij het vliegtuig hoort waarmee je gaat vliegen, en maak géén gebruik van de hier getoonde checklists!

ENGINE CHECKS
  1. Parking brakes: activeer de parkeer-remmen
  2. Throttle 1700 rpm: selecteer een toerental van 1700 toeren per minuut
  3. Engine-instruments in green arc: controleer oliedruk en olietemperatuur, deze moeten in 'groene' bereik liggen
  4. Suction 4,6 - 5,4 inches: controleer of de onderdruk van de vacuümpomp binnen de veilige grenzen van 4,6 en 5,4 inch kwikdruk ligt (dit is erg belangrijk omdat alle gyroscopische instrumenten aangedreven worden door deze vacuümpomp)
  5. Carburettor Heat: controleer of er ijsvorming is opgetreden door de carburettor heat een paar seconden op warm te zetten. Het toerental zal iets zakken wanneer deze op warm staat, maar zodra je het weer op koud zet, moet het toerental terugkomen naar precies 1700 toeren. Als er sprake was van ijsvorming, dan zal (een beetje) ijs gesmolten zijn toen de carburettor heat op warm stond, en zal het toerental toenemen zijn nadat die weer op koud wordt gezet. Wanneer dit gebeurt, dan stel je toerental opnieuw in op 1700 rpm, en herhaal je deze stap net zolang tot er geen sprake meer is van een toename van toerental na het weer op koud zetten van de carburettor heat.
  6. Magnetos: tijdens normaal gebruik staat de schakelaar op 'Both'  (beide magneten zijn actief). Deze controle is er om te controleren of beide magneten ook inderdaad goed werken. Dit doe je door met de schakelaar eerst alleen de Linker magneet te selecteren. Het toerental zal afnemen, maar deze afname mag niet meer dan 125 toeren bedragen. Daarna selecteer je beide magneten weer  om de rechter magneet weer te activeren. Vervolgens selecteer je alleen de rechter magneet, en let weer op afname van het toerental. Deze mag net als bij de linker magneet niet meer dan 125 toeren zakken, plus het verschil in afname van toerental bij deze twee testen mag niet meer zijn dan 50 toeren.
  7. Idle less than 1000 rpm: je haalt het 'gas' er helemaal van af om te controleren of de motor blijft lopen wanneer die de minimale hoeveelheid brandstof krijgt.
BEFORE TAKE-OFF CHECKS
  1. Safety belts: controleer of de veiligheidsriemen goed vast zitten
  2. Seats: controleer of de stoelen 'gelocked' zijn (het is met name tijdens de take-off extreem gevaarlijk als jouw stoel los schiet!)
  3. Controls: controleer of het voetenstuur en het stuurwiel vrij beweegbaar is (een passagier op de voorste stoel zou ze onbedoeld kunnen blokkeren)
  4. Trim: zet de trim in de positie voor take-off
  5. Flaps: zet de flaps in de gewenste positie voor take-off  (op een grasbaan zoals in Hoogeveen wordt deze altijd op 10 graden gezet, andere banen en/of omstandigheden kunnen een andere positie vereisen)
  6. Mixture: controleer of de mengsel-regeling op rijk staat (je wilt immers vol vermogen hebben tijdens take-off)
  7. Friction Nut: controleer of de gashandle ingesteld is op de juiste weerstand (om te voorkomen dat de handle door het trillen van het vliegtuig verschuift)
  8. Carburettor Heat: controleer of deze op koud staat (je wilt immers vol vermogen hebben tijdens take-off)
  9. Fuel Quantity: controleer nogmaals de tank-inhoud
  10. Fuel Selector: dit is de brandstofkraan; verzeker jezelf ervan dat deze niet ongemerkt gesloten is
  11. Primer: de primer  wordt bij koud weer gebruikt om voor het starten van de motor handmatig extra brandstof in te spuiten. Wanneer de motor eenmaal loopt mag onder geen beding de primer nog gebruikt worden, vandaar dat deze voorzien is van een bajonet-sluiting. Hier controleer je of deze daadwerkelijk goed gelocked is in die sluiting.
  12. All instruments: een laatste controle van de primaire vlieginstrumenten; deze moeten allemaal normale standen aangeven.
  13. Navigation equipment: controleer of alle navigatie-instrumenten aan staan, en activeer de transponder.
  14. Pitot Heat: bij koud en vochtig weer is er een verhoogde kans op ijsvorming in de pitot-buis: via deze buis wordt één van de belangrijkste vlieginstrumenten 'aangestuurd': de snelheidsmeter.Daarom heeft de pitot buis een soort verwarmingselement, welke in zulke gevallen aangezet wordt om ijsvorming tegen te gaan. De pitot heat is dus een extra veiligheidsvoorziening.
  15. Strobe Lights: zet het bekende knipperlicht aan - deze verhoogt jouw zichtbaarheid, en dient dus ook de veiligheid.
 
< Vorige   Volgende >
Home arrow Begrippen arrow Checklists arrow Run-up checks